Raamblad 2004-1, Stichting Robinia

Teeltonderzoek in 2003

Houtproductie op landbouwgrond

Bos op landbouwgrond ontwikkelt zich beduidend anders dan we gewend zijn van bos op bosgrond. Uit teeltonderzoek van Stichting Robinia blijkt dat met een zorgvuldig beheer goede resultaten te behalen zijn ten aanzien van de groei en de houtkwaliteit.
Binnen Europa wordt het landbouwareaal steeds verder ingekrompen. Voor een deel worden hier nieuwe bossen op geplant. Nieuw bos betekent weer nieuwe kansen voor houtproductie. Door de vaak rijkere bodems groeien de bomen sneller en krijgen daardoor ook een betere vorm. En het milieu is ook beter af. Door houtproductie te concentreren in nieuwe bossen, kunnen oudere (vaak kwetsbaardere en waardevollere) bossen worden ontzien.


Groei en kwaliteit op landbouwgrond
Door jarenlange bewerking en bemesting van landbouwgronden zijn de kwaliteit en vruchtbaarheid sterk verbeterd ten opzichte van de oorspronkelijke natuurlijke eigenschappen van de bodem. Op landbouwgronden gedijen daarom veel meer verschillende boomsoorten en groeien vaak veel beter dan op het oorspronkelijke natuurlijk bodemtype.
Een goede groei geeft ook een duidelijk betere boomvorm. Een goed groeiende boom gaat namelijk snel omhoog en wordt daardoor slank en recht.
Nadat een bos is aangelegd, stopt de cyclus van bewerking en bemesting en neemt de vruchtbaarheid van de bodem langzamerhand weer af naar het natuurlijke niveau. De snelheid waarmee dit gebeurt hangt af van de grondsoort en ligt in de orde van grootte van enkele tientallen jaren tot eeuwen. Het effect wordt nog eens vertraagd doordat het bos er zelf voor zorgt dat de voedingsstoffen niet zo gemakkelijk kunnen uitspoelen. De huidige bossen op landbouwgrond zijn nog zo jong dat tot nu toe nauwelijks effecten zijn waargenomen van de terugloop van de bodemvruchtbaarheid.

Bosaanleg
Bosaanleg op landbouwgrond is in principe erg eenvoudig. Met een keer ploegen en eggen ligt er een optimaal plantbed voor een nieuw bos. Toch is de nodige zorgvuldigheid geboden om latere problemen te voorkomen.
Bosteelt is niet hetzelfde als de teelt van een éénjarig gewas. Bomen wortelen dieper en dienen ook de winter te overleven. Een diepe doorwortelbaarheid van de bodem is dan ook een specifiek aandachtspunt op landbouwgrond. Zo kan door veelvuldig op dezelfde diepte ploegen een zogenaamde ploegzool zijn ontstaan, een laag in de ondergrond die door de ploegschaar elk jaar weer wordt vastgedrukt. In het ergste geval kunnen de wortels van de bomen niet door deze laag heen, of kan het regenwater niet snel genoeg in de bodem wegzakken, waardoor de boomwortels wegrotten.
De wortels goed spreiden in het plantgat en de bodem goed aandrukken zijn erg belangrijk bij het planten. De combinatie van een losse grond, een eenzijdige beworteling en een snelle groei van de bomen, geeft een groot risico op scheef waaien. Bomen met een eenzijdig gevormd wortelstelsel (de zogenaamde ‘sleepvoet’) herstellen zich nauwelijks, waardoor het risico op omwaaien jarenlang aanwezig blijft. Scheefgewaaide bomen blijven een grote kromming in de onderstam houden en zijn nagenoeg verloren voor de teelt van kwaliteitshout.
Op landbouwgrond zijn de groeiomstandigheden zo gunstig dat bomen vrij ongehinderd kunnen groeien en de erfelijke eigenschappen goed tot hun recht komen. Het loont de moeite om plantmateriaal te gebruiken van goede genetische kwaliteit. Binnen een boomsoort zijn veelal tal van cultivars (variëteiten, rassen, herkomsten of klonen) te verkrijgen. Een juiste keuze betaalt zich vele malen terug, doordat er minder beheerd hoeft te worden.

Concurrentie van onkruiden
Niet alleen bomen groeien snel op landbouwgrond, maar ook het onkruid. De meeste problemen leveren distel, melde en wilgeroosje, die een dicht woud van wel twee meter hoog kunnen vormen. Jonge bomen hebben grote moeite om van onderuit door zulke dichte begroeiing heen te groeien. Vooral langzaam groeiende en lichtbehoeftige boomsoorten (zoals de eik) hebben het dan erg zwaar. Op voormalige graslanden komt het gras vaak snel terug en vormt weer een dichte zode. Dit geeft veel concurrentie in de wortelzone, waardoor jonge bomen moeite hebben hun wortelstelsel goed te ontwikkelen. In extreme gevallen leidt dit zelfs tot sterfte van de bomen.
Een goed onkruidbeheer direct na aanplant blijkt bijzonder effectief, met name door de grond ‘zwart’ te houden. Zonder concurrentie van onkruid gaan minder bomen dood en groeien ze sneller, soms wel tot twee maal zo snel. Ook de boomvorm wordt er beter van. Al snel groeien de boomkronen de ruimte dicht en komt er geen licht meer op de grond, waardoor onkruid ook later geen kans meer krijgt.
Onderdrukking van concurrentiekrachtige onkruiden door het inzaaien van minder schadelijke gewassen (o.a. klaver) werkt ook, maar geeft minder goede resultaten. Een nadeel van de methode is, dat het gezaaide gewas niet altijd goed aanslaat, waardoor het onkruid toch nog vrij spel krijgt.

Effecten van snoei
Van nature vormt een boom uiteindelijk één enkele stam. Hoelang een boom daarover doet verschilt sterk per boomsoort. Door snoei is dit natuurlijke proces te versnellen, wat - zeker bij de meer grillige boomsoorten - een aanzienlijke kwaliteitsverbetering oplevert.
Snoeien is het meest efficiënt in de vroege jeugd. De jonge toppen zijn dan nog erg flexibel en blijken prima in staat om de boomvorm te herstellen tot een rechte stam. Dit herstel gaat sneller naarmate de top jonger is, maar ook tot 4 jaar oude toppen herstellen vaak nog prima. Het herstel neemt dan wel enkele jaren in beslag.
Snoei blijkt ook het meest noodzakelijk in de vroege jeugd. Het eerste jaar heeft een boom nog veel moeite om goed op gang te komen na de aanplant. Vaak wordt dit nog versterkt door een grote onkruiddruk. Het gevolg is dat de topscheut niet meer vitaal is en in het ergste geval sterft. De vorming een rechte stam is daarmee in gevaar. In de jaren daarna gaat de boom wel weer beter groeien, maar de schade aan de boomvorm blijft lang zichtbaar.



     
Inhoudsopgave
    
Terug naar Raamblad